"Eagle and Condor" door Frederick Franck
Fotografie: Luz Piedad Lopez

Macht speelt

Aangemaakt op: 17-3-2011 16:43:03

Download dit artikel »

Leidje Witte en Margreeth van der Kooij

Macht is een vies woord in onderwijsland. Als wij het begrip inbrengen in een groep betrekken onmiddellijk de gezichten van de deelnemers. Gevraagd naar wat macht voor hen betekent geven ze vrijwel altijd voorbeelden waarin sprake is van (grove vormen van) machtsmisbruik. Ze gebruiken liever de term ‘invloed uitoefenen’. Toch speelt macht altijd en overal waar twee of meer mensen bij elkaar zijn. Tussen ouders en kinderen, tussen partners, leraar en leerling en natuurlijk ook tussen medewerkers en leidinggevenden. Waar het ontkend wordt gaat macht ondergronds. Het blijft een rol spelen en er is niemand die er nog greep op heeft.
In dit artikel dagen we je uit om opnieuw naar het begrip te kijken, te erkennen dat macht ook in onderwijsorganisaties bestaat en te leren hoe je er ethisch mee om kunt gaan.

 

Opbouw van het artikel

Over macht kunnen we een boek schrijven. Er zijn vele invalshoeken, er is een scala aan modellen en instrumenten. In dit artikel beperken we ons tot situaties waarin macht speelt tussen twee mensen, in één-op-één gesprekken. We kiezen voor een model uit de Transactionele Analyse (TA) als hulpmiddel om naar dit soort machtssituaties te kijken, er een analyse van te kunnen maken en oplossingen te bedenken hoe je goed om kunt gaan met macht.
We beginnen met de definitie van macht en geven wat voorbeelden in welke vormen het zoal voorkomt. Een voorbeeld werken we uit. Dit komt bij vrijwel ieder onderdeel van het artikel terug, ter illustratie bij de informatie die we daar geven. Vervolgens introduceren we het begrip ‘machtswip’. Vanuit deze metafoor kun je herkennen of de gesprekspartners nog op basis van evenwaardigheid met elkaar praten.
Dan volgt er informatie over het model van de egoposities uit de TA. We geven aan hoe je dit kunt gebruiken als je iets wilt bereiken bij een ander en de relatie ‘schoon’ wilt houden.
Tot slot geven we aan wat de risico’s zijn als je macht ontkent en geven we tips hoe je een en ander kunt leren toepassen in je eigen praktijk.
Om aanduidingen als hij/zij en hem/haar te vermijden gebruiken we alleen de hij-vorm in dit artikel. Je kunt daar ook ‘zij’ en ‘haar’ lezen.

 

 

De definitie van macht

Macht is het vermogen om het gedrag van anderen te beïnvloeden. Invloed uitoefenen is het daadwerkelijk gebruik maken van dat vermogen.
Macht heeft iemand niet zomaar: het wordt aan die persoon toegekend door anderen.
Er zijn verschillende bronnen voor die machtstoekenning.
Het kan gekoppeld zijn aan de positie die een persoon heeft in de organisatie. We noemen dit positiemacht. Anderen erkennen dat deze leider bevoegd is om besluiten te nemen, medewerkers te belonen of te sanctioneren of dat hij beschikt over belangrijke relaties.
Het kan ook gaan om persoonlijke macht. Persoonlijke macht is gebaseerd op het vertrouwen dat anderen in deze persoon hebben. Het kan zijn dat zij hem deskundig vinden op belangrijke terreinen of vinden dat hij over belangrijke informatie beschikt.
Het kan ook zijn dat zij graag met hem omgaan, omdat ze dat als prettig ervaren of denken dat dat gunstig is.
Het zijn allemaal machtsbronnen op basis waarvan mensen kunnen toelaten dat iemand invloed op hen uitoefent. Macht heb je niet, macht krijg je. Je bent daarin dus
afhankelijk van anderen.
Macht is in zichzelf een neutraal begrip. Pas bij het toepassen ervan ontstaat de mogelijkheid dat macht misbruikt wordt en dat komt voor. Maar er zijn ook vele voorbeelden waarin macht ingezet wordt op een transparante manier. Waarbij de invloed zo gebruikt wordt dat er mooie doelen en resultaten bereikt worden.
Er is niets tegen het gebruik van macht als je de doelen waartoe je het inzet ethisch toetst en je je invloed uitoefent vanuit menselijke gelijkwaardigheid.

 

 

Macht speelt dagelijks

Macht speelt, altijd en overal waar twee of meer mensen bij elkaar zijn.
Drie voorbeelden zoals die dagelijks voorkomen. Macht speelt er een rol in zonder dat het problemen oplevert.
De leraar die zijn leerlingen de opdracht geeft om hun werkboeken te pakken maakt gebruik van de macht die hij vanuit zijn functie heeft. Als de leerlingen hem die macht ook toekennen, zullen zij de boeken tevoorschijn halen.
De directeur die een medewerker, binnen de kaders van het taakbeleid, opdraagt om te surveilleren op het schoolplein maakt ook gebruik van zijn positiemacht. Hij mag verwachten dat de medewerker deze taak op zich neemt.
Twee collega’s met een duobaan die afspraken maken om de werkzaamheden onderling te verdelen oefenen daarbij voortdurend invloed op elkaar uit. Zij kunnen de taken bijvoorbeeld verdelen op basis van de deskundigheden die zij elkaar (en zichzelf) toeschrijven. De wens om de relatie met de ander in stand te houden vormt de basis om wederzijds te geven en nemen. Als zij het goed doen komen zij tot een set afspraken waarin beiden zich erkend en gerespecteerd weten.

 

Het al dan niet gebruiken van macht kan ook voor problemen zorgen.
De leerkracht die niet goed orde kan houden heeft na enige tijd zijn macht verspeeld bij de leerlingen. Hij kan proberen om een nieuwe groepsregel in te stellen, maar de leerlingen weten dat hij de handhaving van deze regel niet in de hand heeft en ze zullen zich er dus niet aan houden. Zij hebben de macht.
De directeur die een medewerker op een autoritaire manier een opdracht geeft stelt zich daarmee boven de medewerker. Hij heeft weliswaar positiemacht, maar hij respecteert de menselijke gelijkwaardigheid niet die de grondslag vormt voor hun samenwerking. De medewerker voelt dit en zal daartegen protesteren. Hij kan dit meteen op een expliciete manier doen, bijvoorbeeld door allerlei bezwaren aan te voeren of de opdracht te weigeren. Hij kan het ook later doen of op een impliciete manier, bijvoorbeeld door de opdracht niet of slecht uit te voeren.
Als twee collega’s het werk onderling verdelen en een van de twee zorgt daarbij goed voor zijn eigen belangen maar doet dit ten koste van de belangen van de ander dan levert dat vroeger of later problemen op, in de uitvoering en op relationeel niveau. Het is niet ondenkbaar dat de directeur uiteindelijk zijn invloed moet aanwenden om deze problemen op te lossen.

Een voorbeeld uitgewerkt

Jan, 36 jaar oud, werkt sinds anderhalf jaar als directeur op een basisschool. Kort voor zijn benoeming zijn nieuwe methodes ingevoerd voor taal en rekenen. Deze hebben als doel dat de leerlingen snel zelf aan het werk gaan met de stof. De rol van de leraar is daarmee veranderd, hij geeft minder informatie en instructies en is meer de begeleider van individuele leerlingen.
Hans is de leerkracht van groep 7. Hij is zo’n vijftien jaar ouder dan Jan en werkt al meer dan 20 jaar op deze school. Hij haalt goede resultaten met zijn groepen en de meeste leerlingen zijn dol op hem. Hans is een eenling binnen het team, hij gaat zijn eigen gang, werkt graag alleen en tijdens teambesprekingen zegt hij niet veel. Hij is wel betrokken bij de school maar zegt altijd: "Laat mij nou rustig mijn werk doen, dan blijf ik gezond en is iedereen tevreden.”
Uit signalen van ouders en van de leerkracht van groep 8 blijkt dat Hans de nieuwe methodes niet
gebruikt zoals bedoeld. Hij blijft op zijn oude manier lesgeven, werkt veelal klassikaal en laat leerlingen maar een deel van de oefeningen doen die in de methodes staan.

Jan heeft Hans hier al eens naar gevraagd tijdens de koffiepauze en tijdens de teamvergadering opmerkingen gemaakt over het belang dat iedereen de methodes consequent gebruikt, maar deze acties hebben geen effect gehad. Jan besluit dat hij Hans er direct op aan gaat spreken en nodigt hem uit voor een gesprek op zijn kamer, na schooltijd. Hij ziet tegen het gesprek op: Hans is ouder dan hij en werkt veel langer op de school en Jan weet uit ervaring dat Hans niet zit te wachten op feedback. Daarnaast weet Jan van zichzelf dat hij het moeilijk vindt om iemand rechtstreeks corrigerende feedback te geven.

Als Hans binnenkomt zit Jan achter zijn bureau. Hij staat op en ze gaan in de hoek van de werkkamer zitten in de lage stoelen. Jan vraagt of Hans een goede dag heeft gehad en ze wisselen wat ditjes en datjes uit. Dan zegt Jan: "Hoe gaat het eigenlijk met het werken met de nieuwe methodes in de klas, hoor jij wel eens reacties van ouders?” Hans kijkt eerst niet begrijpend, dan ontstaat er een frons boven zijn wenkbrauwen, hij doet zijn kin omhoog en vraagt: "Hoezo?”
Jan schuifelt wat op zijn stoel, kijkt naar de tafel die tussen hen in staat en zegt: "Ik heb signalen dat zij zich zorgen maken. Je schijnt nog steeds veel klassikaal te doen, en leerlingen maken maar een deel van de oefeningen, hoor ik. Ouders zijn bang dat hun kinderen het moeilijk krijgen als er in groep 8 weer wel volgens de nieuwe aanpak gewerkt wordt...” Vervolgens kijkt hij Hans aan en zegt: "...en daar kan ik me wat bij voorstellen.”
Hans schuift iets onderuit in zijn stoel, er verschijnt een glimlach op zijn gezicht en met iets geruststellends in zijn stem zegt hij: "Maak je geen zorgen, die leerlingen kunnen prima verder, ook als ik op mijn manier lesgeef.” Het is even stil.
"Ja, maar, vind je dan niet dat je moet werken met de methodes zoals we afgesproken hebben?” vraagt Jan.
Hans blijft op dezelfde manier zitten en zegt: "Nou nee, ik geloof er niet in, eerlijk gezegd” en hij blijft Jan rustig aankijken.
Die wordt nu boos. Zijn gezicht wordt strak, hij gaat rechtop zitten, kijkt Hans recht aan en zegt: "Ik vind dat dat niet kan, je kunt niet je eigen baan trekken in een school, los van je collega’s. Ik vind dat niet loyaal...” Hij doet zijn kin omhoog zodat hij neerkijkt op Hans en vervolgt: "... en ik verwacht van je dat je je manier van lesgeven aanpast, zo snel mogelijk!”
Hans kijkt verbaasd en is even stil. Dan gaat ook hij rechtop zitten, hij strekt zijn rug en hals zodat hij langer is dan Jan en als hij vanuit die positie naar hem kijkt zegt hij: ”Dat kun je niet van me verwachten, en als je eraan vasthoudt dan meld ik nu vast dat ik om overplaatsing zal vragen. Leerkrachten voor groep 7 of 8 zijn erg gewild tegenwoordig.” Hij staat op en loopt de kamer uit.
Jan blijft verslagen achter.


De ‘machtswip’

Bij het uitoefenen van macht is het belangrijk dat je de menselijke gelijkwaardigheid in het oog houdt. Je kunt vanuit je functie in hiërarchisch opzicht een ongelijkwaardige positie hebben, maar dat staat een evenwaardig gesprekspartnerschap niet in de weg.
Het is dus van belang om de balans in dat opzicht in evenwicht te houden en macht en menselijke evenwaardigheid uit elkaar te houden. Doe je dat niet dan ontstaat er een spel op de ‘machtswip’.
Stel je voor: twee personen zitten samen op een wip. Als de een in de bovenpositie zit, zit de ander dus laag, in de onderpositie. Aangenomen dat deze dat niet prettig vindt (en dat geldt voor de meeste mensen) gaat deze zich afzetten. Met als gevolg dat hij de lucht ingaat en de ander op de bodem terechtkomt. Zo kunnen ze elkaar lang bezighouden, maar het leidt niet tot resultaten. Ze hebben elkaar nodig, anders zaten ze niet samen op een wip. Ze kunnen zich niet veroorloven dat de ander zomaar van de wip opstapt en ophoudt met het spelletje. Ze moeten dus tot een overeenkomst komen. Daarvoor is nodig dat ze samen de wip in balans houden. Doen ze dat niet, dan zitten ze in een machtsstrijd.

 

Hoe hanteren Jan en Hans deze machtswip?
Jan wil bereiken dat Hans zich realiseert dat hij niet zo les kan blijven geven. Hij snijdt het thema aan met een open vraag: "Hoe gaat het eigenlijk met het werken met de nieuwe methodes in de klas, hoor jij wel eens reacties van ouders?” Daarmee zet Jan zichzelf in de onderpositie. Hij geeft zijn kritiek niet rechtstreeks en hij geeft Hans alle ruimte om te ontsnappen aan het thema. Het feit dat Jan in de lage stoelen gaat zitten en eerst over ditjes en datjes praat draagt ook bij aan het feit dat hij in de onderpositie zit. Hans zit daarmee in de bovenpositie en kan volstaan met de wedervraag: "Hoezo?”
Jan’s non-verbale taal en zijn reactie bevestigen de onderpositie. Hij formuleert voorzichtig, gebruikt woorden als ‘...schijnt’ en ‘hoor ik...’ en hij kijkt Hans niet aan. Even lijkt het of Jan de balans naar het midden trekt als hij Hans recht aankijkt en zegt: "...en daar kan ik me wat bij voorstellen.” Maar Hans geeft zijn bovenpositie hier niet voor op: hij zakt onderuit en spreekt Jan als een kleine jongen geruststellend toe. Jan zit weer onder en Hans blijft boven zitten.
Tot Jan boos wordt. Hij gaat rechtop zitten en spreekt Hans rechtstreeks aan en maakt het zo mogelijk dat de wip in balans komt.
Hij schiet echter door als hij zijn kin in de lucht steekt en zegt dat hij verwacht dat Hans zijn manier van lesgeven aanpakt, en wel zo snel mogelijk. Nu zit Jan boven en Hans zit met een klap op de grond.
Dat wil hij niet, dus zet hij zich flink af en schiet de lucht in door te dreigen met een verzoek om overplaatsing. Vervolgens springt hij van de wip af en laat Jan alleen achter. Er is geen positief resultaat gehaald, sterker nog: de situatie is slechter dan voor dit gesprek.

Hoe kun je deze wip in balans houden?

Het model van de egoposities uit de Transactionele Analyse is hierbij een nuttig instrument.

Ouder VO: Voedende Ouder; KO: Kritische Ouder
Volwassene
Kind AK: Aangepast Kind (bestaat ook een ‘anti’versie van: Rebels Kind)
VK: Vrij Kind

Ieder mens heeft drie posities van waaruit hij de dingen waarneemt, binnen laat komen en handelt.

Vanuit de Ouderpositie reageer je op gebeurtenissen zoals je de ouderfiguren in jouw leven hebt zien doen: je ouders, leraren, sporttrainers, opa’s of oma’s, oudere zussen of broers. Dit doe je vaak onbewust. Iets in de situatie triggert je om vanuit deze positie te reageren.
Er zijn twee Ouderposities: de Voedende ouder en de Kritische Ouder.
De Voedende Ouder lijkt op de archetypische moeder. Ze verzorgt, beschermt, koestert en zorgt dat het kind zich veilig weet en groot kan worden. Zij is liefdevol en geeft het kind permissies, waardoor het kind ervaart dat het mag zijn zoals het is.
De Kritische Ouder lijkt op de archetypische vader. Hij leert het kind dat er een buitenwereld is waar normen en wetten zijn, dat het kind zich moet aanpassen aan en presteren in deze wereld. Hij is streng en geeft het kind geboden (je moet...) en verboden (je mag niet...)

Vanuit de Kindpositie reageer je op gebeurtenissen zoals je dat vroeger als kind deed. Het Vrije Kind heeft, gestimuleerd door Voedende Ouderfiguren -en dit zijn beslist niet alleen moeders- geleerd dat het er mag zijn, dat er veiligheid is en dat het mag spelen. Vanuit deze positie reageer je vaak speels en met humor op situaties. Het Vrije Kind in je is ook nieuwsgierig en bereid tot experimenteren, het is niet bang om fouten te maken.
Het Aangepaste Kind heeft, vanuit de contacten met Kritische Ouderfiguren, geleerd wat het moet doen en laten om de goedkeuring van anderen te krijgen. Vanuit je Aangepaste Kind hou je, vaak onbewust, rekening met de geschreven en ongeschreven regels en wetten van de omgeving.
Het Rebelse Kind is een variant van het Aangepaste Kind. Je hebt dit kinddeel vrijwel zeker verder ontwikkeld in je puberteit. Het rebelleert tegen de opgelegde geboden en verboden door juist het tegenovergestelde te doen. Het kind denkt dat dat vrijheid is, maar ziet niet dat het in zijn protest gebonden is aan het gebod of verbod waar het tegenin wil gaan. Het kan namelijk alleen maar precies het tegenovergestelde doen.

Vanuit de Volwassene handel je reagerend op de situatie zoals die zich nu aan je voordoet. Je neemt waar, je bent je gewaar wat het je doet, je denkt na en je kiest hoe je reageert. Dit doe je vaak binnen een seconde en je bent je lang niet altijd bewust dat je al deze stappen zet. Je hebt je levenswijsheid, je denkvermogen en competenties ter beschikking en van daaruit handel je. Dat wil niet zeggen dat je reactie altijd inhoudelijk juist is of het gewenste effect heeft: je maakt ook verkeerde inschattingen of wordt verrast door iets dat je niet weten kon. Vanuit de Volwassene kun je dan opnieuw een analyse maken welk intern proces er aan je handeling vooraf ging, wat het effect was en wat je ervan leert voor een volgende keer.

Ieder mens heeft al deze egoposities in zich. Je hebt ze ook allemaal nodig. Zonder je Vrije Kinddeel zou je nooit de slappe lach kunnen hebben, zonder je Aangepaste Kind zou je geen gevoeligheid ontwikkeld hebben op het herkennen van de omgangswetten binnen een groep of organisatie. De Voedende Ouder maakt dat je je betrokkenheid in zorg kunnen omzetten, de Kritische Ouder maakt dat je normen en waarden kent en hanteert.
De Volwassene is in staat om zich bewust te worden van de boodschappen en ervaringen in je leven en het nut ervan in het hier en nu. Vanuit dit deel kun je kiezen welke normen en waarden van jouw ouderfiguren je wilt behouden en welke niet bij je passen. Wanneer en op welke manier je je aanpast aan de situatie en wanneer dat niet hoeft of wanneer je je speelsheid en humor in kan zetten. De Volwassene is de regisseur. Als je reflecteert op je gedrag en de drijfveren erachter onderzoekt, kun je ontdekken welke egoposities een rol speelden en kiezen of je dat zo wilt houden. Je Volwassene krijgt dan een nieuw deel onder zijn regie.
Je hebt in je leven heel veel ervaringen opgeslagen in je Ouder- en Kindposities, een deel daarvan diep in het onbewuste omdat je heel jong was. Je Volwassene kan en zal ze nooit allemaal ontdekken en integreren. Voor een deel zul je dus onbewust blijven reageren vanuit je Ouder- of Kindposities.
Bijvoorbeeld: iemand kijkt zoals een strenge leraar van vroeger en zonder dat je het je realiseert reageer je daarop en schiet in de rol van het Aangepaste Kind, en handel je weer zoals je het toen deed. Of: iemand stelt een, volgens jou, domme vraag en je schiet in de Kritische Ouder-rol en handelt zoals je strenge opa dat vroeger naar jou deed.
Je reageert direct, vanuit het onbewuste, zonder na te denken. En wat vaak gebeurt is dat jouw reactie een onbewuste reactie bij de ander oproept. Dat kan een ongewenste machtsstrijd worden. Het zal duidelijk zijn dat je Volwassene-positie moet innemen om de machtswip weer in evenwicht te brengen.

Laten we eens kijken hoe het in deze termen in ons voorbeeld ging.
Jan zet in vanuit het Aangepaste Kind met zijn open en voorzichtig geformuleerde vraag "Hoe gaat het eigenlijk met het werken met de nieuwe methodes in de klas, hoor jij wel eens reacties van ouders?” (J1). Hij roept daarmee op dat Hans vanuit een Ouderrol reageert. Deze doet dat inderdaad, vanuit de Kritische Ouder, met zijn frons en het woord: "Hoezo?” (H1).

Jan’s reactie is weer vanuit het Aangepaste Kind totdat hij Hans recht aankijkt en zegt: "...en ik kan me er wat bij voorstellen.” Hier zit Jan even in de Volwassene.
Hans schiet naar de Voedende Ouder door Jan gerust te stellen en doet daarmee een appèl op Jan om weer in de Kindpositie gaat. Dit lukt.
Als Jan boos wordt, rechtop gaat zitten en zegt dat hij vindt dat Hans niet zijn eigen baan kan trekken, doet hij dit vanuit de Volwassene. Als hij uit de hoogte gaat kijken en zegt: "... en ik verwacht van je dat je je manier van lesgeven aanpast, zo snel mogelijk!” dan schiet Jan in de Kritische Ouder (J2).
Als Hans naar Jan was blijven ópkijken terwijl hij zei dat hij om overplaatsing zou vragen dan had hij dit gedaan vanuit het Rebelse Kind. Maar Hans rekt zich uit zodat hij weer ‘boven’ Jan staat als hij dat zegt, en daarmee zit hij in De Kritische Ouder (H2). Hij gaat dus niet in op Jan’s appèl om in een Kindrol te schieten, hij gaat in een bovenrol zitten en continueert zo de machtsstrijd.

Hoe kun je nou observeren vanuit welke positie iemand praat? Dat zie je vooral aan de
non-verbale taal (lichaamshouding, gezichtsuitdrukking en stemgebruik). De een doet op de ander een appèl uit om vanuit een bepaalde rol te reageren. Soms lukt dat (J1-H1) en dan lopen de transacties parallel. Parallelle transacties nodigen de gesprekspartners uit om langer in deze posities te blijven.
Soms werkt het appèl niet, dan reageert de ander vanuit een andere positie dan
-onbewust- was gewenst (J2-H2). In dit geval is er sprake van een kruislingse transactie. Dit kan zowel van ‘boven naar onder’ als andersom. We kennen allemaal wel de situatie dat iemand verzucht dat het toch allemaal even veel te veel is, druk met proefwerken, de auto deed het niet en ook nog een ziek kind. Een Aangepast Kind dat even vraagt om aandacht en zorg bij een Ouderfiguur. Stel dat de ander reageert met zijn eigen serie ellende, het probleem 'afpakt'. Dat was niet de eigenlijke bedoeling. Kruislingse transacties geven een veel minder prettig gevoel, ze nodigen meer uit om te veranderen van positie.

Er is maar één manier om de machtswip in balans te houden: door ervoor te zorgen dat je in een Volwassene-Volwassene (V-V) contact komt en dat ook zo houdt.
Een Volwassene neemt verantwoordelijkheid voor zijn eigen mening en gedrag. Daarin kun je iemand erkennen en respecteren, ook al ben je het inhoudelijk misschien niet eens met deze persoon. Als jij dat doet en de ander ook, dan is de machtswip in balans en hebben jullie wat wij noemen een ‘schoon’ contact, vrij van machtsspelen.

 

Hoe kun je in een V-V contact komen en blijven?

Laten we kijken hoe Jan dat had kunnen doen.
Bij de voorbereiding van het gesprek gaat Jan eerst na hoe hij zich in de relatie tot Hans voelt. Hij realiseert zich dat hij tegen Hans opkijkt, omdat deze ouder is en al lang op de school werkt. Hierdoor zit hij als het ware al in de onderpositie. Zijn angst om rechtstreeks corrigerende feedback te geven vergroot dit risico, weet hij. Alleen al het (h)erkennen van zijn valkuilen geeft veel rust. Jan gaat kijken wat hij kan doen om tijdens het gesprek zo min mogelijk kans te hebben om in deze valkuil te stappen. Hij denkt bijvoorbeeld na over de plaatsing ten opzichte van elkaar tijdens het gesprek.
Hij gaat in zijn voorbereiding ook na wat de doelen zijn die hij wil bereiken en of deze ethisch verantwoord zijn. Zijn toetsvraag daarbij is: "Mag ik als directeur willen bereiken dat Hans zijn wijze van lesgeven aanpast?” Zijn antwoord daarop moet volmondig ‘ja’ zijn om het gesprek goed te kunnen voeren, anders moet hij zijn doel zo bijstellen dat hij er ja op kán zeggen.
Vervolgens gaat Jan na wat het grootste risico is met dit gesprek. In dit geval bijvoorbeeld dat Hans zich daadwerkelijk laat overplaatsen naar een andere school. Jan vraagt zich af of de schade dan groter is in vergelijking met het laten voortbestaan van de huidige situatie. Kan hij daar ‘nee’ op antwoorden dan is hij zijn angst kwijt. Is zijn antwoord ‘ja’ dan moet hij inschatten hoe groot de kans is dat Hans dat zal doen. Jan realiseert zich dan tevoren dat hij daar bang voor is en dat dat een mogelijke trigger vormt om hem uit de positie van de Volwassene te trekken. Hij bedenkt alternatieven voor die situatie zodat hij zich minder afhankelijk voelt van Hans zijn reactie. Hij gaat ook na hoe hij zelf kan voorkomen dat het gesprek die richting opgaat.
Tot slot bedenkt Jan met welke zin hij het gesprek wil openen en hoe hij daarin het doel van het gesprek verwoordt.

 

Het gesprek zou nu als volgt kunnen verlopen. Jan heeft besloten dat hij er goed aan doet om achter zijn bureau te blijven als Hans binnenkomt en Hans uit te nodigen om aan het bureau het gesprek te voeren. Daarmee houdt Jan de sfeer zakelijk en bevestigt hij zijn positie van directeur. Hij zorgt ervoor dat hij even hoog zit als Hans en hem recht in de ogen kan kijken.
Hij zit rechtop en opent het gesprek door met een rustige stem te zeggen: "Hans, ik heb klachten ontvangen van ouders dat je niet werkt op de manier van de nieuwe methode. Ik vind dat dat niet kan. In dit gesprek wil ik het er met je over hebben hoe jij je manier van lesgeven gaat aanpassen.” Hiermee valt Jan met de deur in huis. Hij schiet niet in de Kindpositie waarin hij permissie van Hans nodig heeft om het lastige onderwerp aan te mogen snijden én hij verwoordt het doel van het gesprek. Hij handelt vanuit zijn Volwassene.
We mogen aannemen dat Hans er belang bij heeft om zijn manier van lesgeven niet te willen veranderen en dus ook belang heeft om daar niet direct over te praten. Hij zal dus pogingen doen om Jan uit de Volwassene-positie te krijgen. Hij zal bijvoorbeeld Jan geruststellend toespreken dat het allemaal wel meevalt en dat een paar klachten toch niet ernstig zijn (V.O.)
Als Jan goed naar Hans zijn non-verbale taal kijkt en luistert en zich realiseert welk appèl er op hem wordt gedaan kan hij kiezen hoe hij wil reageren.
Hij blijft in de Volwassene door Hans aan te kijken en rustig te zeggen: "Je wilt me geloof ik gerust

stellen door te zeggen dat het wel meevalt. Ik neem de klachten echter heel serieus en ik meen het als ik zeg dat je je stijl van lesgeven moet veranderen.” Jan gaat met deze interventie in op het proces (hoe Hans hem aanspreekt) en op de inhoud van wat Hans zegt. Hij blijft ook staan voor zijn doel.
Waarschijnlijk zal Hans zich nog niet gewonnen geven, hij zal bijvoorbeeld vanuit de Kritische Ouderpositie gaan reageren door te met een verbolgen toon te vragen of Jan soms vindt dat hij dat kan eisen?
Ook nu doet Jan er goed aan kort na te gaan hoe hij aangesproken wordt en zich te realiseren dat deze opmerking uitnodigt om in de Kindrol te schieten. Gelukkig heeft hij in de voorbereiding getoetst heeft of zijn gespreksdoel ethisch verantwoord is kan hij volstaan met een eenvoudig "Ja”. Hij blijft Hans aankijken en laat een stilte vallen, waarmee hij aangeeft dat deze weer aan zet is.
Stel dat deze nu naar de positie gaat van het Aangepaste Kind, en Jan uitdaagt om de Voedende Ouder te worden door te zeggen: "Maar Jan, dat meen je toch niet, ik geef al meer dan 25 jaar les zo, de leerlingen en ouders zijn altijd tevreden geweest. Ik hoef nu toch niet meer helemaal opnieuw te leren lesgeven, op mijn leeftijd?”.
Jan kan het appèl om zorg te tonen honoreren zonder in de Voedende Ouder te schieten. Hij zegt bijvoorbeeld: "Ik kan me goed voorstellen dat dat heel erg lastig voor je is. Toch blijf ik erbij. Als het je helpt om er begeleiding of ondersteuning bij te krijgen dan wil ik daar graag aan meewerken. We kunnen dan samen afspraken maken over de doelen en de vorm waarin dat gedaan wordt.”
Zo blijft Jan in de Volwassene-positie en wordt het voor Hans steeds moeilijker om het gespreksonderwerp te ontwijken. De kans dat Jan zijn doelen in dit gesprek haalt én de uitkomst ook voor Hans aanvaardbaar is, wordt groter.

Om in een V-V contact te komen en te blijven zijn de volgende aandachtspunten belangrijk:

  • Bereid een gesprek als het kan goed voor.
    Ga voor jezelf na hoe je tegen je gesprekspartner aankijkt en wat mogelijke triggers zijn om in Kind- of Ouderposities te schieten voor jou. Toets of je ethisch achter je doel kan staan en ga na wat de grootste risico’s zijn als het gesprek niet goed loopt. Bedenk oplossingen voor die situatie, zodat je meer opties hebt. Realiseer je wat de triggers zijn waarmee de ander je het makkelijkste kan verleiden uit je Volwassene-positie te schieten en neem je voor hierop alert te zijn. Kies doelbewust waar jullie het gesprek voeren en hoe jullie zitten ten opzichte van elkaar. Bereid de opening voor en breng daarin de doelstelling voor het gesprek voor het voetlicht.
  • Tijdens het gesprek is het belangrijk dat je steeds goed kijkt en luistert naar non-verbale signalen van de ander en nagaat hoe je je aangesproken voelt. Zo kun je ontdekken vanuit welke egopositie de ander je benadert en welk appèl hij of zij op je doet. Als je het appèl herkent, kun je het opzij zetten en vanuit je Volwassene-positie reageren. Dat klinkt alsof dat allemaal lang gaat duren. In werkelijkheid gaat het meestal om niet meer dan één seconde, waarin je de ander gewoon rustig kunt blijven aankijken.
  • Je kunt in je reactie ingaan op het proces, de manier waarop je aangesproken wordt ("Je lijkt me te willen geruststellen”) en/of op de inhoud ("...ik neem de klachten zeer serieus”) en je doelstelling voor het gesprek herhalen ("...en ik meen het als ik zeg dat je je stijl van lesgeven moet veranderen”). Interventies waarmee je ingaat op het proces zijn wellicht niet de makkelijkste om te bedenken, maar blijken in de praktijk zeer effectief.
    Je kunt ook kiezen om in te gaan op de mogelijke vraag onder het appèl ("Ik kan me goed voorstellen dat dat heel erg lastig voor je is ... Als het je helpt om er begeleiding of ondersteuning te krijgen dan wil ik daar aan meewerken”).
  • Zorg ervoor dat je in principe op gelijke ooghoogte blijft met de ander, voel je contact met je stoel en via je voeten met de grond. Wat heel erg helpt is je even te concentreren op je adembeweging. Probeer rustig tot onderin je buik door te ademen. Zo kun je in contact blijven met je gevoelens, zonder dat die er met jou vandoor gaan. Spreek rustig, kijk de ander aan terwijl
  • je spreekt, durf stiltes te laten vallen en gun jezelf de tijd om na te denken als je dat nodig hebt.

  • Neem je voor dat je altijd 'even op het balkon kunt gaan staan'. Van daaruit kun je ‘op een afstandje’ kijken naar het proces en erover nadenken. Het kan gebeuren dat je even helemaal niet meer weet wat je doen moet, je emoties er met jou vandoor gaan bijvoorbeeld omdat er een onverwachte aap uit de mouw komt. Het helpt om voor jezelf op een rij te hebben hoe je dan even afstand kunt realiseren: Stel voor koffie te halen, ga naar de WC, stel voor om het gesprek vanaf een bepaald punt 'nog eens opnieuw te doen, maar dan in rust'. Het is wonderbaarlijk hoe dat kan helpen. In uiterste gevallen kun je altijd besluiten hardop te constateren dat je het in ieder geval over één ding eens bent: dat je er samen niet uitkomt. Vervolgens spreek je af wat nodig is om dat wel voor elkaar te krijgen.
  • Vat aan het eind van het gesprek de resultaten samen, laat evt. afspraken verbaal bevestigen en maak afspraken over een mogelijk vervolg.
  • Realiseer je dat je de ander uitdaagt om een volwassen gesprekspartner te worden. Van daaruit kunnen jullie elkaar respecteren en waarderen en hebben jullie een ‘schoon’ contact. Jullie hebben daar allebei baat bij, op de korte en de lange termijn.

 

Wat gebeurt er als je ontkent dat macht speelt?

Als macht ontkend wordt gaat het ondergronds. Het speelt voortdurend een rol en er is niemand die er regie over heeft of kan krijgen. Het kan op de gekste momenten de processen en de relaties beïnvloeden.
In een gesprek waarin macht speelt, maar het ontkend of vermeden wordt is er geen
V-V contact en zijn er twee verliezers op het gebied van wederzijds respect en waardering.
Ook op de lange termijn blijft macht die ondergronds gaat een rol spelen.
Stel je voor dat je met iemand een gesprek hebt gehad waarin de machtswip voortdurend uit balans was. Er zijn afspraken gemaakt waar je het eigenlijk niet mee eens bent, maar je zag in het gesprek geen kans om tot betere afspraken te komen. Je was niet ‘bij machte’ om dat te doen. Je bent ontevreden, zowel over de inhoud van de afspraken als de manier waarop ze tot stand gekomen zijn. Je gevoelens van onmacht blijven ook hangen. Dit alles sla je op in je emotionele geheugen, bewust of onbewust. Dat heeft effect op de manier waarop je daarna naar deze persoon kijkt. Gebeurt het vaker op deze manier dan ontstaat er een stapeltje van dit soort herinneringen in je emotionele geheugen en de manier waarop je naar de ander kijkt wordt steeds verder vastgezet. Het wordt ook steeds moeilijker om met deze persoon in een V-V contact te kunnen komen.
Binnen de TA noemen ze dit stapelen van emoties ‘zegeltjes sparen’. Deze metafoor geeft mooi aan wat er gebeurt als je emotionele geheugen vol zit en dientengevolge overloopt: je zegelboekje is vol en je wilt het inwisselen. Je wilt genoegdoening voor alle keren dat je je onmachtsgevoelens opspaarde, liefst mét rente. De beste manier om dat te doen is jezelf in een bovenmachtspositie zetten en van daaruit de schade in te halen. Op deze manier kom je zeker niet in een V-V contact met deze persoon. Het spel zal blijven doorgaan.
Wat gebeurt er met leiders die hun macht zelden gebruiken of het steeds ontkennen? Zoals we in het begin stelden: macht moet je worden toegekend. Op den duur verliezen deze leiders in de ogen van hun medewerkers het 'recht' om hun macht te gebruiken. Deze leiders zullen voortdurend in machtsspelen terechtkomen.

 

Hoe kun je leren omgaan met macht in je eigen praktijk?

  • Kijk naar verschillende situaties met de ‘machtsbril’ op, dat wil zeggen dat je er specifiek op let hoe mensen invloed uitoefenen op elkaar. Kies eerst situaties waarin jij zelf niet een actieve rol hebt of geen deelnemer bent, bijvoorbeeld interviews op TV, een vergadering waarin je niet de voorzittersrol hebt.
    Draai achteraf de film terug. Kijk hoe anderen omgaan met de ‘machtswip’. Ga na welke egoposities mensen innemen in die situaties. Word je bewust waaraan je kan zien en horen dat iemand vanuit een bepaalde positie handelt. Op den duur kun je het ook doen tijdens gesprekken.
  • Reflecteer op gesprekken die jij zelf voerde. Maak na het gesprek evt. een verbatim (een zo letterlijk mogelijk weergegeven beschrijving van de dialoog) dit werkt versterkend op het leereffect. Ga na waar de ‘machtswip’ evt. in onbalans was en welke egoposities speelden. Word je bewust wat jou triggerde om in Ouder- of Kindposities te stappen. Dit kan het gedrag van de ander zijn, maar ook een gevoel van bijvoorbeeld angst of machteloosheid bij jezelf. Noteer valkuilen voor jezelf om alert op te zijn.
  • Bedenk voor situaties die je anders had willen aanpakken welke interventies je had kunnen doen om in de positie van de Volwassene te komen en de ander uit te nodigen dat ook te doen. Maak je van daaruit voornemens voor een evt. volgend gesprek.
  • Leer jezelf vervolgens aan dat je tijdens een gesprek regelmatig even op een afstandje naar het proces kijkt en nagaat of het nog goed zit met de ‘machtswip’.
    Indien niet: neem de tijd om een analyse te maken van de situatie en de
    egoposities die spelen. Bedenk in alle rust met welke interventie je weer in
    de Volwassene stapt.

Literatuur

  • Over luisteren gesproken, red. Conny ten Klooster, uitgeverij Ineke Berkhout, 1990
  • Handboek Transactionele Analyse, Ian Stewart en Vann Jones, uitgeverij SWP, 1994

 

De auteurs

Leidje Witte en Margreeth van der Kooij werken, ieder vanuit hun eigen bureau en met eigen invalshoeken en topics aan ontwikkeling in (school)organisaties. Beiden maken deel uit van het netwerk InteRgraal. De auteurs verzorgen samen trainingen over het omgaan met macht aan leidinggevenden van profit- en non-profitorganisaties. Meer informatie: www.leidjewitte.nl of www.vanderkooijconsult.nl

 

Download dit artikel »